Ambivalence Avenue

Geplaatst opoktober 28, 2010

4


Een meisje, een jonge vrouw, staat in haar onderbroek in het midden van de straat. Het grijze vod plakt aan haar smalle heupen en streelt haar onderbuik. De stof meandert onder haar navel door en daarna tussen haar benen totdat het zichzelf weer vindt en stikt. De huizen om haar heen staan stijf en hoog. Gekleed in een nevel, de die gebouwen in lijkwaden lijkt te hullen, fluisteren ze haar toe. Ze mijmeren onverstaanbaar naar haar. Kom, zeggen ze, kom bij ons binnen want wij bieden troost.

Het zijn de honderdvierentwintig passen naar het einde van het pad van de kinderkopjes waarmee de straat ingelegd is, die ze in een trage, maar toch trefzekere tred neemt. Een paar handen dat voelt als zesendertig vingers weerhoudt haar, terwijl zeventien gebalde vuisten met te veel uitstekende knokkels op haar neer regenen. Ze denkt aan de geur van lavendel en de zee, aan het zachte volume waarop haar moeder op zondagmiddag piano speelde in de badkamer en ze denkt aan de grijze ogen van haar vader.

De keien drukken in haar voetbedden. Ambivalent slenterend stelt ze zich voor dat ze katachtige kussentjes onder haar voeten heeft.

Ze mist haar lief en haar liefde. Stiekem is het een wrang verlangen naar troost en geen gemis, een opvulling van de leegte in plaats van de werkelijke vervanging. Zo verwordt ze langzaam het meisje dat beschadigd was door de lange nachten en die met bloedende neus geen vraagstukken op kon lossen en daarna ook de behoefte aan antwoorden verloor. Zo verwordt ze het meisje aan wie de wereld iedere dag voorbij lijkt te trekken, en al mag de grond bedekt zijn met goudgele herfstbladeren of sneeuwvlokken, al weerkaatsen de stenen de zomerse warmtestralen of beginnen de groene grassprieten alweer voorzichtig hun koppen boven het plaveisel uit te steken, ze merkt er niets van. Ze zal het meisje verworden dat niemand kan redden, laat staan zichzelf en uiteindelijk zal ze niet van haar lief kunnen houden en zal zij zijn gedachten ontglippen. Alsof ze nooit heeft bestaan. Alsof ze er nooit samen zijn geweest.

De kloven op de achterkant van haar hielen verdiepen zich tot steile ravijnen.

Tussen de huizen door galmt het geluid van een rinkelende telefoon. Niemand neemt op.

Naast de geur van oranjebloesem van de fruitbomen die in de tuin van het huis staan waar ze is opgegroeid maar dat ze is verhuisd voordat zij waren volgroeid – zouden ze er nog staan? – denkt ze aan appeltaarten, het parfum van haar moeder dat ze samen op vakantie in Zuid Frankrijk hebben uitgezocht in een ambachtelijke parfumerie, terwijl ze eigenlijk altijd Chanel no.5 droeg. Langs de muur in de woonkamer was een waslijn gespannen waar gigantische chilipepers aan hingen te drogen en uit de keuken walmde altijd de geur van eten, een magere troost die elke hoek van de woning vulde. Het mozaïek van de beelden van haar jeugd lijkt een plaats waar ze te groot voor is geworden. Ze kan onmogelijk het goede formaat terugvinden om er weer tussen te passen en het terrein lijkt steeds onbekender te worden. Een treurig, onherbergzaam en onbegaanbaar gebied.
Haar schoenen zijn kwijt, die mooie die ze nog speciaal had gekocht, zijn kwijt. Twaalf centimeter hoog met een platform, een naakte beige kleur en gemaakt van suède met een elegant bandje over haar voet. Ze zijn kwijt, zoals wel meer dingen kwijt lijken te raken in de duisternis van een woelige nacht. Haar geheugen is slecht, immers het werkt alleen maar achterwaarts.

Vannacht was vol valse beloftes van mannen in duur ruikende kleding en horloges ter waarde van fortuinen. Hun vrouwen toornden ze als trofeeën en behingen ze met glimmende stenen, waarbij haar strasstenen bleek afstaken. Terwijl de nacht de avond volgde en evolueerde naar de dageraad leken de dames te komen en te gaan, leken kledingstukken aan- en uitgetrokken te worden en bij het aanbreken van de ochtend scheen er op alles een ander licht. Zoals alles wat er nog lag, lag ook zij voor het oprapen. Onder valse pretenties, die zelfs de dwalende naïeveling doorziet, werd ze meegelokt en onder een poort van rozenstruiken geleid. Ze vroeg de vreemdeling zijn waarheid te vertellen maar het zou niets uitmaken, ze zou met zijn leugens genoegen nemen en een laten worden met haar waarheid.

Ze ontdekt in alle vroegte hoe pijnlijk het is om met duizend ogen tegelijkertijd te zien, hoe de textuur van het universum voelt met miljoen vleugels. Ze ontdekt hoe graag ze wilt kunnen ontkennen en hoe het leven haar vijand lijkt ze zijn geworden nog voordat ze er echt van geproefd heeft.

Vanaf het nabijgelegen marktplein zweven de klokslagen op geluidsgolven naar haar toe en simultaan lijken er meerdere deuren te openen. Vanachter een enkele deur die langer dan vier seconden open is, vangt ze een glimp op van huiselijkheid, het comfort van een gezin en een stukje van de geschiedenis die ze is ontgroeid. In het koude ochtendgloren zou ze er zo veel voor geven om het terug te krijgen, voor even, voor een fractie van het gevoel van gelukkige gelukzaligheid. Ze wil het risico nemen omdat de beloning zo groot kan zijn.

Donkerblauwe pakken lopen voorbij en ze telt twee rode stropdassen, een blauw met geel gestreepte stropdas en opvallend veel zonder. Ze lijken haar niet op te merken, het vreemde meisje dat over de ruwe straat strompelt. Sporadisch werpt een enkeling een blik op haar en ze beeldt zich in dat ze in dat oogopslag medelijden, aandoening, afgunst en minachting kan lezen.

Teruggaan naar gisteren is onmogelijk, want gisteren was ze nog een ander persoon. Was ze maar nooit volwassen worden, waren de hormonen in haar lichaam maar nooit aangemaakt, was ze maar nooit gaan puberen en was ze maar veilig in de wieg van de armen van haar ouders gebleven, daar waar ze geborgen was, want het puzzelen om uit te vinden wie ze is, tussen alle verleiding door, lijkt haar te zwaar te vallen.

Ze bibbert, haar lichaam voelt zo koud als het ochtenddauw dat haar huid streelt. De dag strijkt op haar neer en ontbloot haar al verregaande, halfnaakte lijf. Voor het publiek, de passerende menigte, is er niets te aanschouwen. Zij is geen artieste die zal lachen wanneer de groep het begeert, ze kan zich niet langer conformeren aan de gedane verwachtingen.

Ze zal blijven slenteren en dat slenteren, dat zal in afwachting van het leven zijn. Wanneer ze klaar is met het slenteren, zal ze beseffen dat ze al die tijd al geleefd heeft en dat ze ook, wanneer ze van haar kleren beroofd is en slechts in haar ondergoed wandelt en af en toe sprint, rechtop kan blijven staan.

Geplaatst in:schrijfsel, vandaag