NL/ Schrijfsel ‘Voor het karton te laat’
O nee, ik kan ze niet meer vinden. Ik had ze toch meegenomen, maar nu kan ik ze nergens meer vinden. Ik raas als een krankzinnige alle kastjes door, trek alle deurtjes overal van open en schuif alle luikjes overal vanaf. Het is nergens meer te vinden, het is gewoon foetsie, pleite, weggesmolten als een sneeuwpop voor de zon, een ijsje in m’n mond. In mijn hoofd loop ik alle plaatsen langs waar ik die dag ben geweest, waar ik gisteren ben geweest, eergisteren, de dag ervoor en die daarvoor, maar ik kan het me niet meer herinneren. Het is in lucht opgegaan, simpelweg verdwenen en ik kan het met geen mogelijkheid meer terug zien te krijgen. Ik rommel nog een keer alles door en ga dan zitten met m’n hoofd in mijn handen. Ik wieg heen en weer op mijn enkels, de flinterdunne stof van het nachthemdje en onderbroekje stuift over mijn blote huid, waar het kippenvel nu door de kleding heen te zien is. Waar ben ik toch aan begonnen.
Maandagochtend. Ik twijfel een moment lang of ik mijn bed uit wil komen, wel uit kan komen omdat ik liever terugga naar de dromen die in mijn hoofd leven. Er zit lood in mijn benen, er kriebelt iets in mijn hoofd waardoor ik onrustig wordt. Het jeukt als de pest. Het is alsof ik crack heb gerookt, het bladerdak van het Boliviaanse regenwoud door mijn neus heb geannexeerd en aids heb opgelopen na een vieze spuit. Alsof de benedenbuurvrouw haar pook door mijn plafond heeft geschoven en zo door de zitting van mij heerlijke stoel en mij zeer veel pijn deed, wel de schop onder de kont die ik nodig had. Of het pijn deed. Nee, het was zelfs vrij prettig. Maar het spookte wel de hele dag nog door mijn hoofd.
Dinsdagavond. Koffers zijn gepakt, heb verder een paar extra sneakers mee, de ladyvamp schoenen want wie weet wanneer die je kunnen helpen en een regenjas. Ik voel me alsof ik in een slechte B-film zit. Eigenlijk had ik een lange trenchcoat aan moeten trekken en een mooie hoed. In plaats daarvan zie ik eruit als een meisje. Als een meisje met twee koffers op wieltjes, twee weekendtassen en een veels te grote schoudertas. In het halfdonker van het peertje dat zielig en halverwege in de lucht bungelt, rookt ze een goedkoop sigaretje. Het vuil op de muren laat ze gelig van kleur lijken, er zitten vegen op, kris kras over de muur heen, soms een handafdruk, soms een onherkenbaar lichaamsdeel. Wie weet wat er hier tegen de muur is beleefd. Ik druk de sigaret uit in de palm van een handafdruk, het kooltje valt precies op de rand van een van de plinten en een paar veertjes as dwarrelen op mijn donkere broek. Ik kijk met half dichtgeknepen ogen mijn beschimmelde appartement in. Wat eerder mijn appartement was, nu is het iemand anders’ beschimmelde appartement. Opdat hij of zij er zich thuis mag gaan voelen. In het licht van het schamele peertje dat de deuropening binnenvalt zie ik niks meer staan op het donkere parket. Een enkele kartonnen doos, maar die is voor de volgende bewoner. Ik hoef de inhoud niet meer. Denk ik koppig en rebels op dat moment, dat dacht ik te denken in ieder geval. Ik trek gauw de deur dicht en mor de sleutel in het gat. Hoppa.
Rijden, rijden, rijden, alleen ik, koffers en zoveel asfalt dat ik maar lief kan hebben en tot me kan nemen. Was het maar altijd zo. Ik rij steeds verder weg van de stadslichten, het lege leven en ik trap op het pedaal totdat het tegen de grond slaat. Nu ben ik tevreden. Ik kan maar niet snel genoeg gaan vanavond, ik zou niet genoeg tijd kunnen hebben. Ik blijf maar om hulp roepen in mijn hoofd. Of verwar ik dat nu met een andere dag, in de toekomst, of misschien nog een tijdje terug?
De dag breekt de zwarte inkt aan de horizon op en verkracht de nacht met bruut geweld. Licht overspoelt het asfalt en de schaduwlijn komt steeds verder achter me te liggen, ik rijd er steeds maar verder van weg. Misschien dat het me dan niet meer achtervolgt en me door al die donkere steegjes in mijn hoofd laat jagen en kruipen. Wind in de haren, de pook nog steeds in mijn billen voelend, en de drang hebbend om toch eens Bolivia te bezoeken, steek ik nog maar een sigaret op. Het is nog stil op de weg en er is niemand.
Ik wiebel met mijn tenen heen en weer op de grauwe plavuizen. Hoeveel mensen voor mij zouden hier eerder hebben gehurkt en gewiebeld? Hun kin op hun knieën en hun armen om hun schenen geslagen, starend naar de koelkast. Nee, ik heb geen honger. Ik hou wel van middernachtse snacks, maar dit is niks voor mij. Ik wiebel nog maar een beetje met mijn tenen. Concludeer dat ik ze niet los van elkaar kan bewegen. Ik wiebel nog wat meer. Wordt dan weer rusteloos en wil weer gaan zoeken naar dat wat ik heb laten staan maar wat ik nergens meer kan vinden. Het is ook nergens meer in mijn hoofd, waar heb ik ze dan achtergelaten. Ze kunnen nooit pootjes hebben gekregen en weg zijn gewandeld, ze hebben nergens om naartoe te wandelen. Waarom praat ik tegen de koelkast?
Ga nou trager rijden, je beweegt veels te snel. Ga terug naar waar je vandaan kwam, het is toch allemaal maar in je hoofd, daar leven ze. Ze leven niet hier buiten met ons, niet in de open lucht tussen de planten en bomen, gras, water, weet ik veel wat. Keer om, keer om, dan zal je je beter voelen. Hou maar op met dromen, het is allemaal in je hoofd.
Ik praat nu echt tegen de koelkast, zie mijn minimale reflectie erin en lul daartegen. Waarom? Daar is wederom de bekende vraag. Waarom? Want nu is het te laat.
Ik kan het nu niet maken om terug te gaan, om te keren en terug te gaan naar de oude vertrouwde schimmellucht. Ik moet en zal dit afmaken, ik ben er eenmaal aan begonnen. Maar waarom ook alweer. Het lijkt zo lang geleden en ik ben niet helder meer. Ik graai blind naar mijn rechterkant. Geen sigaretten meer in de auto. En in mijn nachthemd zitten ook geen zakken dus ook geen nicotine. Ik praat nu ook terug tegen mezelf. Wat is dat toch vreemd. Wat zoek je, vraag ik aan mezelf. Ik antwoord terug dat ik het niet weet. Mijn spiegelbeeld vertelt me dat zij het ook niet weet. Wat is dat vreemd zeg, we weten het allebei niet. We hebben dus toch geen oneindige wijsheid vergaard.
Ik wandel nu heen en weer. Mijn tenen kromden eerder nog van de kou en konden wiebelen, maar nu kunnen ze helemaal niks meer. Ze zijn zo koud geworden op de plavuizen. Ik krabbel terug in mijn hoofd, ploeg slecht geordende archieven door en vind het hier en daar maar wat stoffig. Alle dozen zijn weggezet, maar er staan geen etiketten op. Ik wandel terug naar mijn oude huisje boompje beestje. En daar, in het licht van de deuropening van een schamel klein peertje (hé dit komt me toch zo bekend voor. Ben ik hier eerder geweest, of is dit wat men noemt een déjà-vu?) staat een kartonnen doos op een prachtig donker parket. Alles galmt nu, de buurman schommelt heen en weer en kijkt een Turkse tvzender. De buurvrouw kijkt een Spaanse zeepserie. Waarin iedereen elkaar om zeep helpt bedenk ik me nog. Wat grappig. Mijn moeder vond altijd dat ik mijn mond moest wassen met zeep, maar zij vond mij dan ook nooit grappig. Ik denk nu dat ik ja, hier wel eens eerder ben geweest. Ik heb toen iets achtergelaten. Maar wat? Ik voel me nu net een kind in een snoepwinkel, wil heel gauw die doos opentrekken, alsof het Kerstmis is! Ik had hier nooit weg moeten gaan. Ik waggel door de donkere steeg en op blote voeten stap ik over de drempel. Ach kijk, daar staat een meisje waar ik vroeger op leek. Wat kijkt ze bedenkelijk naar die doos. Ze slaat dan bijna de deur in mijn gezicht dicht, over onbeschoft gesproken! Ik kijk haar na als ze met haan bagage door de gang zeult, vraag me af waar die reis naartoe gaat. De doos die hier nog binnen staat is zeker van haar. Ze vindt het vast niet erg als ik er even in kijk. Mijn handen lijken niet op de mijne denk ik nog als ik het deksel openvouw. Niet de mijne.
Ik vertrok dinsdagavond. Rijd nu in de woensdagmiddag en voel me een deserteur van mezelf. Ik heb iets tussen de schimmel laten staan. Heb een doos met herinneringen laten staan waarvan ik ze niet nodig denk te hebben. Ze zullen als pamfletten door de kamer heen liggen want het raam toch een beetje ’s nachts. Ik zal ze toch niet op gaan halen want ik hoef ze niet. Ik word niet gek of krankzinnig of labiel als ik ze niet heb. Maar ik wil wel weg van de stadslichten en ik wil alleen maar rijden, naar de dromen in mijn hoofd om geen maandagen meer te zien, geen dinsdagen meer door te slepen.


No comments yet
Jump to comment form | comments rss [?] | trackback uri [?]